Zoals van een groot aantal andere terrierrassen is ook de afkomst van de Bedlington Terriër moeilijk vast te stellen en laat wel wat vraagtekens achter. Ook voor de Bedlington geldt dat er van zijn ontstaan en de rassen die hierbij een rol hebben gespeeld ternauwernood enige aantekeningen gemaakt zijn. Dit is wel enigszins te begrijpen. Men fokte en kruiste in die tijd immers alleen met het doel een bruikbare werkhond te verkrijgen en bovendien waren de fokkers destijds meestal beroepsjagers en kleine boeren, die er geen moment aan dachten iets op papier te zetten, zo zij dit al konden.


Wat we wel weten is dat het ras is ontstaan in het Engelse graafschap Northumberland, in de streek van Rothbury Forest en dat het zijn naam ontleent aan de plaats Bedlington, gelegen ten noorden van Newcastle. Voordat het ras, omstreeks 1820, zijn huidige naam kreeg, heeft het, afhankelijk van het gebied waarin werd gefokt, een aantal namen gehad. Zo komen we de namen Rothbury, Northumberland, Northern Counties en Rodberry Terriër tegen.
Ongetwijfeld hebben diverse rassen hun invloed op de Bedlington Terriër gehad, of wellicht kunnen we beter spreken van diverse ,,typen”. We moeten ons namelijk niet voorstellen dat zo’n 200 jaar geleden de plaatselijke terriërs onderling al zo veel uiterlijke verschillen vertoonden als thans het geval is. Wanneer we nu de voorlopers van onze rassen zouden zien, zou een groot aantal hiervan als bastaards op ons overkomen.





Grotere kaart weergeven





De terriërs, waaruit de Bedlington Terriër is voortgekomen, werden vroeger vaak gezien als ,,zigeunerhonden”. In de tweede helft van de achttien de eeuw reisden zij met rondtrekkende ketellappers en doedelzakspelers mee langs landgoederen en boerderijen. En terwijl hun baas zijn ambacht uitoefende en zijn liederen ten gehore bracht, maakten de terriërs furore als opruimers van ratten en ander schadelijk ongedierte. Wanneer we thans de gracieuze Bedlington Terriërs met hun enigszins deftige gang zien rondstappen, doet niets meer vermoeden dat zij ooit een soort zigeunerhond als voorvader hadden.


Er gaat een verhaal uit die tijd over Piper Allen die met twee terriërs, Pincher en Peachem door de streek trok. De hond Peachem was kennelijk zo’n goede otterjager dat Allen zei: ,,Als Peachem door blaffen laat weten op een goed spoor te zijn, durf ik de huid van de otter al te verkopen.” Peachem was als ratten- en ongediertedoder zo vermaard dat men veel geld voor hem wilde betalen en zelfs, zo gaat het verhaal, Allen een boerderij in ruil voor de hond aanbood. Allen weigerde echter en zei: ,,Nee dank u mylord wat moet een doedelzakspeler met een farm beginnen.”
Ditzelfde verhaal komen we overigens ook tegen bij de Dandie Dinmont Terriër, hetgeen aantoont dat beide terriërs uit dezelfde voorouders voortkomen en hoewel de één als ,,hoogbeen” uitgroeide en de ander als ,,kortbeen”, hebben beide rassen toch enige typische overeenkomsten zo als de ,,topknot”, de kuif op het voorhoofd, de ietwat grote, hangende (jachthonden)oren en de geronde karperrug. Als ondersteuning van deze aanvankelijke gelijkenis, is het verhaal van de graaf van Artrim bekend. Deze zou twee nestbroers op een show in 1883 ingeschreven hebben, de één als Bedlington Terriër en de ander als Dandie Dinmont Terriër en respectievelijk een tweede en eerste prijs met hen hebben gewonnen.


Shaw_Bedlington_Dandie_Dinmont

Schilderij van een Bedlington Terrier en een Dandie Dinmont terrier rond 1881



Hoewel de voorlopers van de Bedlington Terriërs in het midden van de achttiende eeuw nog zeer veel verschilden van de latere ,,Bedlington” en het ras pas in de eerste helft van de vorige eeuw wat vorm begon te krijgen, is één eigenschap zeker bewaard gebleven en wel hun moed en terriër aard. Hij mag misschien bij velen als een ,,zachtaardig” schaapje overkomen, vergis u echter niet, hij is een echte terriër en wat hij eenmaal vast heeft, houdt hij vast. Hij is als het moet nog steeds een prima ongedierte verdelger en gaat een tegenstander niet gauw uit de weg.
Vergelijken we de Bedlington Terriër met andere hoogbenige terriërs, dan vallen enkele uiterlijke eigenschappen, zoals het jachthondenoor, de hazenvoet, de gebogen karperrug, de racy bouw en op snelheid duidende achterhand en de zachte, wollige vacht, direct op.

Als mogelijke kruisingsproducten, gebruikt bij het ontstaan van de Bedlington Terriër, worden door kynologische historici onder meer genoemd: de
Old English (broken haired) Terriër, de Otterhound, die verantwoordelijk zou zijn voor het jachthondenoor en, behalve een aantal terriervariëteiten, eveneens enkele windhonden, die hem de racy en op snelheid gebouwde achterhand bezorgd zouden hebben en verantwoordelijk zouden zijn voor de hazenvoet, die een uitzondering is ten opzichte van vrijwel alle terriërs (alleen de Manchester Terriër heeft een semi-hazenvoet). Ook het hoofd vertoont, door de oordracht, de geronde schedel, peervormigheid en het geheel ontbreken van de stop, een verschil met vele andere terrierrassen.


We zeiden reeds dat de Bedlington Terriër eerst in het begin van de vorige eeuw iets van zijn huidige vorm begon te krijgen. Een belangrijke pionier voor het ras was, omstreeks 1825,Joseph Ainsley, die in Bedlington woonde. Door zijn werk als metselaar aan de kerk ontmoette hij dominee Coates, van wie hij een teefje, genaamd Phoebe, kocht. Het was een kleine, blauw gekleurde hond met een schouderhoogte van ongeveer 33 cm.
Enkele jaren eerder had Ainsley een iets grotere reu, Old Piper, een bruinachtige hond met lichte ogen gekocht van ene James Anderson. Hij paarde beide honden en uit dit nest kwam een reu Young Piper, ook wel Ainsley Piper genoemd. Deze hond kreeg als eerste de naam Bedlington Terriër. Hij had als dekreu een groot aandeel in het nieuwe ras, stond bekend als een zeer felle dassenjager en stierf in 1840, op vijftienjarige leeftijd. Enige tientallen jaren maakte het nieuwe ras veel ,,ups and downs” mee. Het werd met diverse ,,rassen” gekruist, in de hoop hiermee het ras te verbeteren. Deze verbeteringen bleven echter uit en men keerde terug tot het oorspronkelijke type, dat zich een uitstekend jager had getoond en zich ten opzichte van zijn baas als een prettige huishond gedroeg.


Zo begon in de tweede helft van de negentiende eeuw de Bedlington Terriër zijn gestalte te krijgen en begon ook zijn ,,showcarrière”. In 1870 werden op de ,,Bedlington show” enige klassen voor het ras opengesteld en een jaar later gebeurde dat op de grote ,,Crystal Palace show”. In 1875 werd de National Bedlington Terriër Club opgericht en werden er raspunten opgesteld, die in 1924 werden herzien door de toen opgerichte Bedlington Terriër Association. In Nederland werd in 1925 de Nederlandse Vereniging voor de Bedlington Terriër opgericht, thans Bedlington Terriër Club geheten.
De algemene verschijning van de Bedlington Terriër moet een gracieuze, lenige, gespierde hond zijn, noch zwak, noch grof, met een peer- of wigvormig hoofd. Hoewel hij een zachtaardige uitstraling heeft, is hij moedig als er actie nodig is. Hij is dan levendig en dapper en vol zelfvertrouwen. Hij moet een goed temperament hebben en mag niet schuw of nerveus zijn. Verlangd wordt een schrandere, sportieve hond met ,,adel”.